top of page

“Willen jullie mijn vader zoeken in Kharkiv?”

  • 5 dagen geleden
  • 3 minuten om te lezen


Het moet inmiddels meer dan drie jaar geleden zijn dat wij voor het eerst friet uitdeelden in Bucha. De mensen hadden letterlijk honger. De Russen hadden gruwelijk huisgehouden in de omgeving. Op grote schaal waren oorlogsmisdaden gepleegd en meer dan 500 burgers werden er geëxecuteerd.


Maar de Russen waren verjaagd en de mensen probeerden hun gewone leven weer op te pakken. En wonderwel… dat lukte.


Als je nu in Bucha komt, zie je bijna niets meer terug van de gruweldaden die daar zijn gepleegd. De uitgebrande tanks die toen nog stonden na te smeulen zijn verdwenen. Beschoten gebouwen werden hersteld of opnieuw opgebouwd. Bucha kreeg veel internationale hulp en de inwoners staken zelf massaal de handen uit de mouwen.


Het front ligt inmiddels behoorlijk ver weg. Maar toch blijft het oorlog. Elke dag luchtalarmen. Regelmatig inslagen. Altijd onzekerheid.


Toen wij later terugkeerden naar Bucha om opnieuw friet te bakken, voelde de sfeer dan ook totaal anders. Natuurlijk merk je op zo’n dag, waarop mensen even samenkomen voor een frietje, niet altijd direct dat er oorlog is. Juist daarom werken wij tegenwoordig veel dichter bij het front. Omdat daar de hulp nog het hardst nodig is.


In Bucha sprak ik met Zbyszek, een Poolse vrijwilliger die fantastisch humanitair werk doet in Oekraïne, en met een Oekraïense priester. We spraken Russisch en hadden het over het vervolg van onze reis.


“Eerst naar Kyiv, dan naar Dnipro, daarna Kramatorsk en vervolgens Kharkiv,” zei ik.


Op het moment dat ik Kharkiv noemde, reageerde ineens een jongetje van een jaar of tien. “Gaan jullie naar Kharkiv?” vroeg hij meteen. “Ja,” antwoordden wij. “Wij gaan onder andere ook naar Kharkiv.”


Zijn reactie kwam direct. “Willen jullie dan mijn vader zoeken?” De vrolijke sfeer sloeg onmiddellijk om. “Mijn vader is daar voor het laatst gezien,” vertelde hij.


Zijn vader was militair. Hij had gevochten aan het front. Maar al meer dan een half jaar had niemand meer iets van hem gehoord. “Mijn oom was ook heel lang vermist,” zei hij zachtjes. “En hij is dood.” Daarna keek hij ons aan. “Ik ben zo bang voor mijn vader. Willen jullie hem alsjeblieft gaan zoeken?”


Hoe moet je daarop reageren? Wat kun je in godsnaam zeggen tegen een kind van tien? Je kunt toch moeilijk de waarheid zeggen. Dat de kans groot is dat zijn vader nooit meer terugkomt. Dat vermist raken in de loopgraven vaak betekent dat iemand er niet meer is. Hoe groot is de kans dat hij nog leeft?


Ik wist niets anders te zeggen dan dat we zouden gaan zoeken. We noteerden alles. Zijn eigen naam (Oleg). De naam van zijn vader. De naam van zijn moeder. De brigade waarbij zijn vader zat. Alle gegevens die hij wist. Wij beloofden kleine Oleg dat we zouden gaan zoeken. Maar het voelde verschrikkelijk. Want diep van binnen wisten we eigenlijk allemaal dat we hem waarschijnlijk nooit zouden vinden.


En toch… Hoop doet leven.

Het jongetje had hoop. Zijn moeder had hoop. “Misschien is hij gevangen genomen,” zei zijn moeder later nog. “Misschien wordt hij ooit geruild.” En heel soms gebeurt dat ook echt.


Ook wij missen persoonlijk iemand die heel dicht bij ons staat. Ook hij vocht aan het front, bij Pokrovsk. Vorige week kwam er ineens een bericht dat hij mogelijk in een Russische gevangenis zou zitten. Er is nog altijd geen officiële bevestiging. Maar er is wel hoop.


En waarschijnlijk leeft Oleg nog altijd met dat kleine sprankje hoop dat zijn vader ooit weer thuis zal komen.

 
 
bottom of page